Skip to content
Blog

Hoe je wél impact maakt met projecten in het onderwijs

De auteur

Remeis Salentijn

Consultant

Suggesties voor jou

Samengevat

In deze blog kijken we door de bril van schoolleiders: waarom is het zo lastig om projecten in het onderwijs blijvend effect te laten hebben – en aan welke knoppen kun je als schoolleiding draaien om wél duurzaam verschil te maken?

Hoe je wél impact maakt met projecten in het onderwijs

(en waarom werkgroepen zo vaak blijven steken in goede bedoelingen)

Wellicht een bekend verhaal; scholen, besturen en opleidingen die vol ambitie starten met projecten: een nieuw programma voor basisvaardigheden, een uitwisselingsprogramma, een inclusie-agenda, een curriculumherziening of een cultuurverandering. Toch horen we deze vraag vaak in het nagesprek: “Er is veel werk verzet, maar is er écht impact gemaakt?” Uit onderzoek naar governance en medezeggenschap (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023) blijkt vaak dat het besturingsproces in scholen op papier werkbaar is, maar dat in de praktijk tijd, kennis en vaardigheden ontbreken om keuzes echt door te vertalen naar de klas. Tegelijkertijd laat de Inspectie zien dat veel scholen moeite hebben om verbeterprogramma’s structureel te borgen; het blijft vaak bij tijdelijke projecten en losse interventies.

In deze blog kijken we door de bril van schoolleiders: waarom is het zo lastig om projecten in het onderwijs blijvend effect te laten hebben – en aan welke knoppen kun je als schoolleiding draaien om wél duurzaam verschil te maken?


De onderwijsrealiteit: cultuur, core business en ‘reactieve’ patronen

In het onderwijs is de ‘core business’ om leerlingen op te leiden tot een start bekwaam vervolg: een diploma, doorstroom, burgerschap en beroepsvaardigheden. Alle activiteiten buiten lesgeven, roosteren, mentoraat of examinering, concurreren automatisch met het dagelijkse werk en de zorg voor leerlingen.

Inzicht: schoolleiders ervaren dat projecten zelden duurzaam landen: na een periode van energie en activiteiten vallen initiatieven terug op de oude situatie.

De formele zeggenschap in het funderend onderwijs (po en vo) ligt bij het bevoegd gezag. Leraren, ouders en leerlingen kunnen via de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) invloed uitoefenen, maar geen eindbesluit nemen. In de praktijk betekent dit dat veel initiatieven ‘van boven’ of ‘van buiten’ komen (subsidies, nationale programma’s, masterplannen), terwijl de werkvloer vooral druk is met het hier-en-nu in de klas. Het effect:

  • Projecten worden bovenop bestaande taken gestapeld, zonder structurele herprioritering.
  • Bovendien is de manier waarop het werk in scholen vaak is georganiseerd, gericht op reageren op acute problemen – een incident met een leerling, tegenvallende resultaten, een urgente vraag van ouders – en minder op het voorbereiden van verbeteringen op de langere termijn.
  • Tijd voor een verbetercultuur – samen doelen formuleren, scenario’s verkennen, data analyseren, bijstellen – is schaars.

Onderzoek van de Inspectie en SLO laat zien dat scholen pas echt vooruitgang boeken als verbeteracties onderdeel zijn van de reguliere kwaliteitscyclus, in plaats van losse trajecten naast het bestaande onderwijs.

 

Oplossing: van “project ernaast” naar gedeelde opgave

Zolang projecten worden gezien als iets dat bovenop het werk komt, zullen ze blijven concurreren met het primaire proces. De eerste stap is het expliciet maken van één gezamenlijke opgave die erkend wordt als onderdeel van het hart van de school, niet als bijzaak. 

  • Formuleer met directieteam/managementteam (DT/MT) en een kleine groep docenten eerst het structurele probleem dat je wilt aanpakken (bijvoorbeeld: blijvend lage leesresultaten in de onderbouw; gebrek aan samenhang in curriculum; werkdruk in een specifiek team). Maak daar vervolgens één scherpe projectvraag van, zoals: “Hoe brengen we binnen twee jaar het leesniveau van onze brugklassers structureel op streefniveau?”
  • Verbind die vraag direct aan bestaande kaders: schoolplan, kwaliteitszorg, inspectiekaders en beleid. Daarmee legitimeer je dat dit project géén bijzaak is, maar een noodzakelijke opgave.
  • Maak in het eerste overleg met de werkgroep zichtbaar: welke activiteiten stoppen of versimpelen we om hier ruimte voor te maken? Zonder expliciet schrappen wordt elk project een stapeling.

 

Werkgroepen als standaardreactie voor een nieuw project of initiatief: van “we richten iets op” naar gericht instrument

Zodra er een nieuw idee, een subsidie of een beleidsimpuls komt, ontstaat op veel scholen een herkenbaar patroon, wat hieronder verder wordt toegelicht.

Inzicht: bij elk nieuw project, programma of bij elke subsidie wordt een werkgroep ingericht, maar na een adviesrapport, projectweek of themadag verwatert het resultaat.

Werkgroepen starten vaak zonder helder mandaat. Het is onduidelijk wat men wil bereiken, welke beslissingen zij mogen nemen, welke tijd en middelen beschikbaar zijn en hoe hun werk wordt geborgd. Daardoor blijven ze steken in plannen en losse activiteiten in plaats van structurele keuzes.

Zodra er een nieuwe impuls komt – nieuwe middelen, een nieuwe wet of nieuwe kerndoelen – zie je vaak hetzelfde patroon:

  • Er is een nieuwe impuls.
  • De reflex: er wordt een werkgroep ingericht (“Zet iets neer, schrijf een plan, bedenk activiteiten, organiseer een studiedag”).
  • De werkgroep vergadert naast de reguliere lesgevende taak, met enthousiasme maar beperkte beslisruimte.
  • Er komt een document, projectweek of themadag.
  • Daarna verwatert het: geen duidelijke keuze wat stopt, wat structureel wordt en hoe het in curriculum, examenprogramma of kwaliteitszorg wordt vastgelegd.

Als de visiefase niet is doordacht, geen strategisch plan is uitgewerkt en docenten de consequenties niet overzien, verwateren projecten of worden ze na enkele jaren weer afgeschaft.


Oplossing: een kort projectmandaat vóór de eerste vergadering

In plaats van direct een werkgroep te starten, begin je als schoolleider of projectleider met een compact projectmandaat van één à twee pagina’s.

Laat het projectmandaat minimaal beantwoorden:

  1. Probleem: Welk concreet probleem lossen we op? (bijvoorbeeld: “30% van de brugklassers leest onder streefniveau” of “onduidelijke leerlijn burgerschap”).
  2. Doel en resultaat: Wat moet er aantoonbaar veranderd zijn over 1 à 2 jaar, in termen van leerling resultaten, werkwijze en borging in beleid?
  3. Mandaat en rolverdeling
    • Welke besluiten mag de werkgroep zelf nemen (bijvoorbeeld keuze materialen, proefgroepen, invulling studiedagen)?
    • Welke besluiten liggen bij directie, MR en bestuur (bijvoorbeeld lessentabel, formatie)?
  4. Tijd en middelen: Hoeveel taakuren, vergadertijd en ondersteunende middelen zijn er structureel beschikbaar per schooljaar?
  5. Borging en verantwoording: Aan wie rapporteert de werkgroep, hoe vaak en hoe worden besluiten vastgelegd in school‑ of jaarplannen?

Onderzoek van de Inspectie en SLO laat zien dat duurzame verbeteringen ontstaan wanneer vernieuwingen worden geborgd in curriculum, lessentabel en kwaliteitszorg, in plaats van als losse trajecten naast het bestaande onderwijs.


Onderliggende oorzaken: cultuur, governance en werkdruk

Hierboven hebben we al een aantal problemen beschreven, met draaiknoppen waarmee je als schoolleider aan de slag kan. In deze paragraaf gaan we nog iets dieper in op de onderliggende oorzaken. Waarom lopen die werkgroepen zo vaak vast? Een paar hardnekkige patronen uit onderzoek en de praktijk:

“Reactieve” leer- en verbetercultuur

Scholen handelen vaak pas als problemen zichtbaar zijn: lage cijfers, inspectiesignalen, ontevredenheid en werkdrukklachten. De SLO‑instrumenten laten zien dat een duurzame vorm van projectonderwijs begint met een expliciete visiefase, SMART doelen en doordachte leerdoelen voor leerlingen. In de praktijk zien we echter:

  • Bijles en interventies na tegenvallende prestaties van leerlingen, in plaats van vooraf duidelijke leerlijnen, toets- en interventiestrategieën.
  • Projecten als reactie op subsidies en regelingen; zodra de regeling stopt, stopt ook de energie.​
Onduidelijke zeggenschap en rol schoolleider

De medezeggenschapsstructuur op papier is voldoende, maar participatie en inhoudelijke kennis bij MR-leden ontbreken soms.​ De schoolleiding heeft een sleutelrol voor de kwaliteit van onderwijs, maar is formeel niet altijd goed gepositioneerd.

Juist bij projecten zie je daardoor spanning:

  • Wie bepaalt de koers: bestuur, schoolleider, projectleider, werkgroep, MR?
  • Worden keuzes over tijd, formatie en prioritering voldoende duidelijk gemaakt – of sluipt het erbij via goodwill van een paar kartrekkers?

De minister reageert hierop met het concept van de “governanceruit”: schoolbestuur, intern toezicht, schoolleider en medezeggenschap die gezamenlijk het goede gesprek voeren over belangrijke besluiten. Zonder die ruit wordt projectmanagement vaak een micro‑spel in een macrostructuur die niet meebeweegt.​

Hoge werkdruk, beperkte verander­capaciteit

TNO en andere onderzoeken naar werkdruk laten zien dat docenten en schoolleiders structureel meer werk ervaren dan haalbaar is. Het gevolg:​

  • Projecten worden naast het reguliere werk gedaan, met beperkte ruimte voor voorbereiding, reflectie en bijsturing.
  • Slechts een deel van het team kan deelnemen; anderen voelen zich “overvallen” door uitgewerkte plannen waar zij weinig eigenaarschap op hebben of voelen.

Dit betekent dat bij projectonderwijs structurele ontwikkeltijd, duidelijke fasering en procesbewaking cruciaal zijn om verwatering te voorkomen.

 
Wat werkt wél? Projectmanagement‑tools die zich bewezen hebben in het onderwijs

De kernboodschap over projectmanagement is bijna altijd hetzelfde: succesvolle projecten vragen om een combinatie van harde tools (structuur, fasering, eigenaarschap, mandaat, doelen) én zachte kant (communicatie, vertrouwen, soft skills). Hieronder de belangrijkste bouwstenen die in onderwijscontext werken.

Begin met een scherp projectmandaat

Een projectmandaat is een korte, harde afspraak: wat is het probleem, welke doelen stellen we, welke scope, welk budget, welke timing, welke bevoegdheden en wie is opdrachtgever/projecteigenaar.

Belangrijke lessen:

  • Het mandaat is geen scriptie, maar 1–2 pagina’s met heldere bullets.
  • Het wordt ondertekend door de opdrachtgever (bijvoorbeeld rector, directeur, college van bestuur) en legt de harde afspraken vast (doelen, randvoorwaarden) en wat in de uitvoering flexibel is.

In het onderwijs kun je dit expliciet verbinden aan:

  • Inspectie-eisen en sturingsinformatie (bijvoorbeeld: “binnen 2 jaar voldoet onze aanpak basisvaardigheden aan OP0‑indicatoren X, Y, Z”).​
  • School- of instellingsplan, kwaliteitszorgcyclus en afspraken met MR/OR/Raad van Toezicht.​

Zonder projectmandaat blijven projecten hangen in goede bedoelingen en mist de werkgroep het mandaat om scherpe keuzes te maken.

 
Werk met duidelijke fasering (voorbereiding tot afronding)

In een schoolomgeving kun je dit bijvoorbeeld als volgt aanpakken:

Voorbereiding

  • Diagnose: wat is het échte probleem (bijv. lage leesresultaten in vmbo‑onderbouw; onvoldoende samenhang in burgerschap)?
  • Stakeholders in kaart: bestuur, schoolleider, projectleider, docenten, MR, leerlingen, externe partners.
  • Doelen SMART formuleren, gekoppeld aan kerndoelen, referentieniveaus en/of eindkwalificaties.​

Opbouw

  • Projectteam, heldere rollen (opdrachtgever, projectleider, werkgroepleden, data‑analist, communicatiepersoon).
  • Taakstructuur: splits het project in concrete (kleinere) deelopdrachten, met tijd, verantwoordelijkheid en afhankelijkheden.
  • Realistische planning, aansluitend op schooljaar (geen go‑live vlak voor examens of in de kerstperiode).

Uitvoering

  • Cyclisch werken met korte iteraties: pilots, verbeterloops, studiedagen en klasbezoeken.
  • Sterke communicatie: bewust afstemmen op de voorkeursstijl van betrokkenen (kort, visueel, duidelijke deadlines, context).
  • Monitoring met data: toetsresultaten, leerling- en docentfeedback, procesindicatoren (deelname, implementatiegraad).

Afronding

  • Niet alleen het “projectdocument” opleveren, maar expliciete besluitvorming: wat wordt standaard, wat stopt, wat gaat in “beheer”.
  • Borging in formatie, taakbeleid, rooster, kwaliteitszorg en MR‑afspraken.

De overgangen tussen de fasen zijn kwetsbaar; een expliciete “pas op de plaats” helpt om te voorkomen dat projecten doorrennen zonder draagvlak of haalbaarheid of stil komen te liggen.​

 

Formuleer scherpe leerdoelen en borg curriculum­samenhang

Impact in het onderwijs betekent uiteindelijk: leerlingen leren aantoonbaar iets wat ertoe doet. Het SLO‑handboek hamert daarom op:

  • SMART leerdoelen, liefst gekoppeld aan kerndoelen, referentieniveaus en taxonomieën.​
  • Duidelijke verbinding tussen projectactiviteiten (bijv. museumbezoek, onderzoek, presentatie) en vakinhoudelijke- én vaardigheidsdoelen.​
  • Afstemming tussen projecten en vakken, zodat er geen dubbelingen of hiaten ontstaan, en leerlingen ervaren dat het project geen “los zand” is.​

Gebruik instrumenten om vaksecties te helpen om projecten en leergebieden in één schema te krijgen en expliciet te besluiten waar welk leerdoel “hoort”. Hierdoor wordt een project geen nice‑to‑have, maar een integraal onderdeel van het onderwijsprogramma.

 

Bouw aan een lerende projectcultuur

Verschillende onderzoeken benadrukken de waarde van het “goede gesprek” en soft skills: vertrouwen, communicatie, conflict hanteren en feedback geven.

Voor projecten in scholen betekent dit:

  • Investeer in de rol van de schoolleider(s) als onderwijs­kundig leider én opdrachtgever; de positie van de schoolleider(s) moeten kwalitatief sterk zijn.​
  • Combineer formele medezeggenschap met informele inspraak (leerlingenpanels, docentenlabs, ouderpanels) om projecten te voeden met ervaringskennis en draagvlak.​
  • Normaliseer evalueren en leren: gebruik rubrics, reflectieformulieren en periodieke evaluaties.​

Onze ervaring is dat veel projectproblemen geen “toolproblemen” zijn, maar mensenwerk: verschillende belangen, miscommunicatie, conflict, uitblijvende respons. Bewuste aandacht voor deze (zachte) kant is in een onderwijsomgeving minstens zo belangrijk als de projectplanning.

 

Tot slot

Wil je:

  • Een project rond basisvaardigheden, kansengelijkheid, burgerschap, digitalisering of lectorale speerpunten starten – en het níet laten verzanden?
  • Een bestaande werkgroep/werkgroepen herijken en inbedden in een duidelijke projectstructuur?
  • Sparren over hoe je als schoolleider(s) of projectleider meer mandaat, draagvlak en structuur kunt organiseren zonder de werkdruk verder op te voeren?

Neem dan contact met ons op. Wij helpen onderwijsinstellingen met projectmatig werken zó te organiseren dat het bijdraagt aan duurzame onderwijskwaliteit. We combineren:

  • Onderwijskundige expertise (curriculum, basisvaardigheden, leeromgevingen) met
  • Professioneel projectmanagement (beleid, projectplannen, fasering) en
  • Inzicht in governance en aansturing.

We denken graag mee over een projectaanpak die past bij jouw context – van kleine basisschool tot brede scholengemeenschap of hogeschool – en helpen je om projecten niet alleen netjes af te ronden op papier, maar vooral merkbaar te laten landen in de klas.

 

Over Wise up Consultancy:
Wise up helpt (netwerk)organisaties bij het oplossen van vraagstukken op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie. Dit doen we door het inzetten van ervaren project- en programmamanagers, enthousiaste onderzoekers, HR partners en bevlogen adviseurs. Hiermee brengen we complexe opdrachten en vraagstukken van onze klanten tot een succesvol resultaat zodat zij zelf kunnen excelleren. Wij bouwen daardoor mee aan een duurzame en veerkrachtige economie waarin iedereen meedoet en zichzelf optimaal kan ontwikkelen.

Onze inzichten in je inbox?

Schrijf je dan in voor de Wise up nieuwsbrief. Wekelijks nieuwe inzichten in je inbox.

Gebruikte bronnen

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2023, 6 juli). Eindrapport Breed gesprek governance en (mede)zeggenschap Regioplan [Kamerbrief]. Rijksoverheid. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/07/06/eindrapport-breed-gesprek-governance-en-mede-zeggenschap-regioplan

Meijs, L., Noordink, H., Spek, W., & ten Voorde, M. (2012). Handboek projectonderwijs in de onderbouw. SLO. https://www.slo.nl/@12119/handboek/

Nieto-Rodriguez, A., & Khelifi, Y. (2021, december). Is project management the right career for you? Harvard Business Review. https://hbr.org/2021/12/is-project-management-the-right-career-for-you

Inspectie van het Onderwijs. (2023, 12 juni). Sturing op de basisvaardigheden. Inspectie van het Onderwijs. https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2023/06/12/sturing-op-basisvaardigheden

TNO. (2024, december). Werkdruk in het onderwijs (Rapport in opdracht van Voion). Voion. https://www.voion.nl/publicaties/tno-rapport-werkdruk-in-het-onderwijs

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2025, 18 december). Lerarenstrategie december 2025. Rijksoverheid. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2025/12/18/lerarenstrategie-december-2025

Bernstein, A. (Host), & McLemore, T. (Guest). (2024, 2 juli). Getting project management right [Podcastaflevering]. In HBR On Leadership. Harvard Business Review. https://hbr.org/podcast/2024/07/getting-project-management-right

Flyvbjerg, B., & Gardner, D. (2023, november). Why big projects fail—and how to give yours a better chance of success. Harvard Business Review. https://hbr.org/2023/11/why-big-projects-fail-and-how-to-give-yours-a-better-chance-of-success

Nieto-Rodriguez, A. (2026, januari). The project-driven organization. Harvard Business Review. https://hbr.org/2026/01/the-project-driven-organization

Bernstein, A. (Host), & McLemore, T. (Guest). (2023, 16 januari). The Essentials: Managing projects [Podcastaflevering]. In Women at Work. Harvard Business Review. https://hbr.org/podcast/2023/01/the-essentials-managing-projects