Bij beleid over Passend Onderwijs mag het speciaal basisonderwijs niet verdwijnen

Onderstaande blog heb ik opgesteld in 2016 gedurende mijn master Onderwijswetenschappen. Tijdens het volgen van deze master was ik werkzaam in het (speciaal) basisonderwijs te Utrecht. Door de publicatie van de eindevaluatie Passend Onderwijs is deze weer actueel. Het dient gelezen te worden in de tijdsgeest van toen, waarbij Passend Onderwijs anderhalf jaar eerder was ingevoerd. Passend Onderwijs zorgde destijds voor een krimp in leerlingenaantal bij het speciaal (basis)onderwijs waardoor diverse scholen in het speciaal basisonderwijs de deuren moesten sluiten. Veel leesplezier!

Regelmatig komen ze weer binnenlopen op het speciaal basisonderwijs (SBO): het hoofd tussen de schouders hangend, terneergeslagen, zich onbegrepen voelend en bovenal gefrustreerd. Het zijn leerlingen die te lang in het reguliere onderwijssysteem zijn gehouden sinds de invoering van het beleid Passend Onderwijs. Dit beleid zegt dat scholen verantwoordelijk zijn alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een goede onderwijsplek te bieden. Door de invoering van Passend Onderwijs komt de positie van het SBO echter in gevaar. SBO is niet hetzelfde als speciaal onderwijs (SO). Het SO is voor leerlingen die een lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap hebben en voor leerlingen met emotionele of gedragsproblemen. Het SBO biedt onderwijs aan leerlingen die zich niet optimaal ontwikkelen in het regulier onderwijs (Kasper, 2014). Het betreft hier dezelfde problematieken als binnen het SO, alleen dan in lichtere mate of meerdere problematieken gecombineerd waardoor de leerling niet in een cluster van het SO past. Binnen het SBO krijgen leerlingen extra ondersteuning in kleine groepen om zo de gestelde leerdoelen te bereiken. Leerkrachten in het SBO zijn getraind tegemoet te komen aan extra onderwijsbehoeften van leerlingen. Sinds de invoering van Passend Onderwijs is er een sterke terugloop aan leerlingen op het SBO. Door deze terugloop is het aantal SBO scholen afgenomen van 312 naar 288 (Nationale Onderwijsgids, 2015). Ik schrik van deze terugloop. Het SBO is te belangrijk om verloren te laten gaan.

Volgens van Etten (2015) is er een toename van het aantal schrijnende gevallen waarbij leerlingen onvoldoende steun krijgen doordat zij te laat zijn doorverwezen of omdat een basisschool niet de juiste kennis in huis heeft om deze speciale doelgroep in hun instructiebehoeften te voorzien. 99% van de leerkrachten die meededen aan onderzoek van Gaalen (2015) gaven aan dat ze extra handen willen in de klas zodat ze alle leerlingen passende instructie kunnen aanbieden. Sinds de invoering van Passend Onderwijs worden wel al leerlingen met extra instructiebehoeften in het regulier onderwijs gehouden, maar krijgen leerkrachten nog niet de juiste ondersteuning bij het geven van passende instructie. Schuman (2007) geeft aan dat de nadruk binnen Passend Onderwijs op dit moment nog wordt gelegd op procedures en systeemverandering. Er wordt nog onvoldoende rekening gehouden met de complexe en voornaamste taak van de leerkrachten: leerlingen voorzien van instructie. Volgens Schuman (2007) kan Passend Onderwijs succesvol worden als de overheid en overige instanties professionals op de werkplek effectief gaan ondersteunen. Volgens Meijer (2009) valt de samenwerking tussen verschillende instanties echter niet mee.

Zelf ben ik werkzaam als leerkracht op het SBO en geef les in groep 8. Het merendeel van deze leerlingen heeft een IQ-score tussen de 55 en 75. Daarnaast hebben de meeste leerlingen ook gedragsproblemen/gedragsstoornissen. Ook in het reguliere onderwijs heb ik leerlingen met een laag intelligentieniveau onderwezen. Hier heb ik ervaren dat het onmogelijk is om tijdens een instructie aan een klas met 30 leerlingen, die ik al op drie niveaus instrueer, voldoende tijd te besteden aan leerlingen met een verstandelijke beperking. Mijn ervaring komt overeen met 84% van de leerkrachten die een poll hebben ingevuld. Zij geven aan te weinig tijd te hebben om deze leerlingen tegemoet te komen in hun instructiebehoeften (Gaalen, 2015). Het beleid Passend Onderwijs heeft als doel om zorgleerlingen in het regulier onderwijs beter op te vangen (Meijer, 2009). Ik denk echter dat dit doel middels de huidige uitvoering niet wordt bereikt. Zorgleerlingen worden vaak te laat doorverwezen en krijgen te weinig instructie op hun eigen niveau aangeboden. Het is een mooi initiatief om alle leerlingen binnen een onderwijsvorm te plaatsen, waarbij alle leerlingen van elkaar kunnen leren. Dit is echter een ideaalbeeld dat in de praktijk voor een deel van de zorgleerlingen niet haalbaar is. De leerlingen die niet doorverwezen kunnen worden naar SO vanwege toelatingseisen, maar ook niet optimaal functioneren op het reguliere onderwijs, vallen tussen wal en schip. Het SBO is volgens mij de uitkomst voor deze leerlingen. De overheid zal er in mijn opinie dus sterk voor moeten waken dat ook met het nastreven van Passend Onderwijs, het SBO blijft bestaan.

 

Referenties

Gaalen, E. (2015). Leraren kritisch over passend onderwijs. Nu.nl. Retrieved from http://www.nu.nl/werk-en-prive/4116922/leraren-kritisch-passend-onderwijs.html

Kasper, F. (2014). Wat is het verschil tussen speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs? Retreived from http://www.onderwijsconsument.nl/speciaal-onderwijs-en-speciaal-basisonderwijs-niet-hetzelfde/

Nationale Onderwijsgids. (2015). Voortbestaan speciaal basisonderwijs op de tocht door passend onderwijs. Retrieved from https://www.nationaleonderwijsgids.nl/speciaal-onderwijs/nieuws/27503-voortbestaan-speciaal-basisonderwijs-op-de-tocht-door-passend-onderwijs.html

Meijer, W. (2009) Passend onderwijs vraagt om ideale leraren en ideale hulpverleners. Kind & Adolescent praktijk, 8, 178. doi:10.1007/BF03088074

Schuman, H. (2007). Passend onderwijs. Tijdschrift voor orthopedagogiek, 46, 267-280.

De energietransitie als kans voor leren en werken

6 tips om van de energietransitie een kans te maken voor je regionale arbeidsmarkt

De energietransitie is één van de belangrijkste transities, die effect gaan hebben op de regionale arbeidsmarkt de komende decennia. Een CO2 reductie van 49% in 2030 is zeer ambitieus en vraagt al op de hele korte termijn om concrete regionale acties. Netto gezien neemt de werkgelegenheid fors toe door alle noodzakelijke maatregelen die hiervoor getroffen dienen te worden bij de vijf sectortafels van het klimaatakkoord[1]: het opwekken van duurzame energie, het verduurzamen van de gebouwde omgeving, het elektrificeren van mobiliteit, het circulair maken van de industrie en het herinrichten van landschappen en landbouw. Bovendien wordt de regio een steeds belangrijker speelveld gezien de trend van decentralisering in de energiewereld. Steeds meer regio’s erkennen dit belang ook. Zo organiseert de regio Noordoost-Brabant op 3 oktober de bijeenkomst ‘Talent voor de energietransitie’.

Op basis van voorspellende rekenmodellen in de frictie analyse van PBL en ROA[2], kan de schatting gemaakt worden dat er honderdduizenden banen extra bijkomen in Nederland. Het betreft een breed spectrum aan sectoren, beroepen en competenties; kansen van praktisch tot hoogopgeleid; veel technologisch, maar ook planologisch en sociaal. Het is daarom waardevol om de energietransitie binnen het onderwijs- en arbeidsmarktbeleid te positioneren als zeer kansrijk. Met actief en slim onderwijs- en arbeidsmarktbeleid kan een regio toekomstbestendig worden en (economische) kansen optimaal benutten.

De energietransitie en de arbeidsmarkt zijn een krachtige en duurzame brandstof voor elkaar als ze tijdig aan elkaar worden voorgesteld, samen met elkaar op kunnen trekken en de ruimte krijgen om met elkaar te mogen experimenteren. Hier volgen zes tips voor regio’s met praktische oplossingen, concrete en haalbare acties op korte en middellange termijn, waarmee als arbeidsmarktregio tijdig en kansrijk ingespeeld kan worden op de energietransitie.

  1. Een challenge of game ontwikkelen met regionale partners waarmee bewustwording m.b.t. de energietransitie en de toekomstige banen gecreëerd wordt

Gamificatie is zeker niet nieuw als concept, maar is bewezen effectief als het gaat om het enthousiasmeren van jongeren en hen te helpen bij het maken van keuzes. Met behulp van gamificatie kan je op speelse wijze laten zien dat de energietransitie super gaaf is om aan te werken. Tevens kan de maatschappelijke en ecologische impact beleefd worden, waardoor er ook echt een gevoel van betrokkenheid bij kan ontstaan. Sla daarom de handen ineen met regionale overheden, onderwijsinstellingen en bedrijven en maak een game of challenge die gekoppeld is aan instroom opleidingen en loopbaan oriëntatie. Laat bijvoorbeeld de gamer zelf bepalen hoe hij of zij een wijk van het gas af zou halen en duurzame energie zou opwekken, opslaan en transporteren in een wijk. De wijkgerichte aanpak[3] m.b.t. het van het gas afhalen van hele wijken en huizenblokken kan hier mooi bij aanhaken. De gamer dient te kiezen welke lokale organisaties ingeschakeld kunnen worden en welke vakmensen de klus het beste kunnen klaren. Beloon de gamer vervolgens met mooie video’s over hoe het werk er daadwerkelijk uitziet in de praktijk en wat de impact van de gemaakte keuzes is. Mede afgaande op de frictie analyse van PBL en ROA dienen de volgende beroepen zeker aan bod te komen: bouwvakkers, elektriciens en elektronicamonteurs, software- en applicatieontwikkelaars, elektrotechnisch ingenieurs, ingenieurs (geen elektrotechniek), architecten, projectleiders (evt. ook niet technisch), projectontwikkelaars en technische natuur- en bouwkundigen.

  1. Overheid, onderwijs en bedrijfsleven samen laten werken aan de energietransitie op een fysieke locatie (living lab/huis voor de energietransitie)

Ondanks dat we leven in een digitaal tijdperk kan de kracht van de fysieke ontmoeting nog steeds nauwelijks onderschat worden. Ontmoetingen zijn meestal leuk, kunnen zeer bijzonder zijn en in meer economische termen zelfs leiden tot kansen en rendement. Daarom kan een plek waar regionaal kennis en kunde samenkomt op het vlak van de energietransitie zo waardevol zijn. Zeker rondom de energieleveranciers en netbeheerders. Opwekking, opslag en distributie van energie zal namelijk steeds meer decentraal vorm krijgen. Regio’s dienen hiervoor zelfs een regionale energiestrategie (RES) uit te werken[4]. Bovendien kan de eerder genoemde wijkgerichte aanpak een mooie cockpit krijgen op deze locatie. Samen leren, ondernemen en innoveren met overheid, onderwijs en bedrijven uit de (machine)bouw, installatie- en IT sector op een plek met living lab faciliteiten voor leerlingen, studenten, docenten, onderzoekers, werknemers en ondernemers lijkt hierdoor zeer kansrijk. Een dergelijke plek zal een broedplaats voor learning communities kunnen worden.

  1. Modulair onderwijs voor de energietransitie ontwikkelen

Het is voor het reguliere onderwijs steeds lastiger om alle technologische innovaties bij te houden en in het curriculum van opleidingen te kunnen verwerken. Als de doorlooptijd voorbij is staat er namelijk alweer een nieuwe innovatie op de stoep. Bovendien kost het een hoop geld om technische apparatuur en kennis up to date te houden. De vroegere bedrijfsschool was in dat kader nog helemaal niet zo verkeerd. Het antwoord dat in deze tijd gegeven wordt is flexibel en modulair onderwijs dat door onderwijsinstellingen in samenwerking met en ook bij bedrijven ontwikkeld wordt. De energietransitie is bij uitstek geschikt voor modulair onderwijs gezien de diverse werkgebieden die samenkomen en waarbij juist op de snijvlakken veel innovaties plaatsvinden: duurzame installatietechnieken en elektrificatie van apparaten en werktuigen. Met modulair onderwijs vergroot je de aantrekkingskracht van het onderwijs met betrekking tot nieuwe instroom en bied je tegelijkertijd een instrument waarmee leven lang ontwikkelen in de voor de energietransitie relevante sectoren een impuls kan krijgen voor het zittend personeel alsook zij-instromers. Vanuit de overheid is er een regeling die flexibel onderwijs subsidieert: Subsidieregeling flexibilisering MBO[5].

  1. Zet sociale innovatie in voor de energietransitie

Naast de kwantitatieve impact die de energietransitie op de arbeidsmarkt gaat hebben is de kwalitatieve impact minstens even groot. Door technologische innovatie, de toename van ICT toepassingen in veel banen en de integratie van diverse vakgebieden (binnen bijvoorbeeld de installatiebranche) stijgt het algehele gevraagde kennisniveau. Bovendien zullen er door de snelle technologische ontwikkelingen (te denken aan robotisering en kunstmatige intelligentie) ook banen in rap tempo verdwijnen. Dit brengt voor ondernemers met personeelsschaarste kansen met zich mee, echter voor werknemers betekent dit onzekerheid. Onzekerheid over hun toegevoegde waarde en functionele rol in de toekomst. Sociale innovatie helpt hierbij door bewustwording te creëren, attitudes te beïnvloeden en meer acceptatie bij toekomstige veranderingen te krijgen. Laat bijvoorbeeld tijdig zien welke kansen er ontstaan voor het personeel en hoe zij zich hier op voor kunnen bereiden door bijvoorbeeld nu al specifieke opleidingsmodules te gaan volgen. Door sociale innovatie als onmisbaar element in de strategische HRM toolkit op te nemen kunnen organisaties wendbaar worden en hiermee de voordelen van technologische innovatie beter benutten en algehele organisatie ontwikkeling zelfs in een hogere versnelling krijgen. Voor de provincie Gelderland is sociale innovatie een belangrijk speerpunt in haar onderwijs en arbeidsmarkt beleid. De provincie Gelderland heeft namelijk een aparte regeling om sociale innovatie binnen het MKB te ondersteunen[6].

  1. Banen creëren voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt

De energietransitie gaat om hele concrete uitdagingen in een complex speelveld. De uitdagingen op de korte en middellange termijn zijn het grootst bij de sectortafels Elektriciteit en de Gebouwde Omgeving. Het is ondertussen wel zo’n beetje duidelijk wat er allemaal precies moet gaan gebeuren. Grofweg gezegd: het isoleren en verduurzamen van panden, het maken en installeren van energieopwekkende systemen en het bouwen en aanleggen van een nieuwe decentrale energie infrastructuur met daarbij behorende energie installaties. Door tijdig de HR instrumenten strategische personeelsplanning en job carving in te zetten kunnen bepaalde eenvoudige en repetitieve taken die ontstaan (te denken aan het leggen en doortrekken van kabels en allerhande plug en play werkzaamheden) gebundeld worden in banen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het is aan te bevelen dat (lokale) overheden zorgen voor experimenteerruimte op dit vlak om e.e.a. extra te stimuleren.

  1. Omarm het smart cities gedachtegoed

Energie is één van de domeinen van een zogenaamde ‘smart city’[7]. Een slimme stad is een stad waarbij informatietechnologie en het internet der dingen gebruikt worden om de stad te beheren en te besturen. De energietransitie heeft als gevolg dat er op lokaal niveau marktplaatsen ontstaan waar vraag en aanbod in duurzame energie bij elkaar komt en als het waren verhandeld wordt. Er komen datawetenschappen bij aan te pas om deze ‘platformisering’ aan te sturen en in goede banen te leiden. Dezelfde datawetenschappen worden ingezet om de industrie meer circulair te maken, informatie te beveiligen, de gemeenschap te dienen, gezondheidszorg te versterken en mobiliteit te verduurzamen. Dit vraagt om een integrale benadering en aanpak, zodat de inzet van data en informatietechnologie optimaal haar vruchten afwerpt in de stad en regio. Bovendien ontstaan hier mooie kansen voor praktische en theoretisch opgeleide ICT’ers om een directe bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de eigen stad.

Samenvattend gezegd loont het om voor de energietransitie:

Ø Via gamificatie nieuw talent aan te boren voor de energietransitie

Ø Learning communities in samenwerking met de 3 O’s vorm te geven op een fysieke plek

Ø Modulair onderwijs te ontwikkelen voor zittend personeel en zij-instromers

Ø Sociale innovatie in te zetten om het maximale uit technologische innovatie te halen

Ø Banen te creëren met het oog op een inclusieve arbeidsmarkt

Ø Het smart cities gedachtegoed te omarmen

[1] https://www.klimaatakkoord.nl/klimaatakkoord/sectortafels

[2] https://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/pbl-2019-frictie-op-de-arbeidsmarkt-door-de-energietransitie-3438.pdf

[3] https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2019/01/08/achtergrondnotitie-gebouwde-omgeving-wijkgerichte-aanpak

[4] https://regionale-energiestrategie.nl

[5] https://levenlangontwikkelen.nl/nieuws/subsidieregeling-flexibel-mbo-in-de-maak/

[6] https://www.gelderland.nl/Sociale-innovatie

[7] https://nl.wikipedia.org/wiki/Slimme_stad


Wise up houdt zich bezig met de energietransitie en projecten op het gebied van onderwijs en arbeidsmarkt.

 

Welke trends hebben de komende 10 jaar de grootste impact op onderwijs en arbeidsmarkt? Ben jij al op de hoogte?

Er zijn 6 trends om de komende 10 jaar goed in de gaten te houden vanwege hun impact op onderwijs en arbeidsmarkt (Kennisnet, 2019). In deze blog werk ik eerst deze trends kort verder uit. Daarna presenteer ik een ranking van 3 trends die naar verwachting de grootste impact zullen hebben qua aantallen mensen en banen die het betreft.

Demografisch

Er zullen verschuivingen gaan plaatsvinden in de samenstelling van de groep werkenden in ons land.  Ten eerste trekken veel jongeren de komende jaren naar de stad. Daardoor wordt in stedelijke gebieden (vooral in de Randstad) een groei voorspeld terwijl in de kleinere gemeenten sprake zal zijn van bevolkingskrimp. Dit leidt vooral buiten de Randstad tot dalende leerlingenaantallen in zowel basis-, voortgezet-, als beroeps- en academisch onderwijs.

Verder is sprake van vergrijzing en ontgroening van de beroepsbevolking. Het aandeel ouderen neemt verder toe en het aandeel jongeren neemt af.

Tenslotte is de verwachting dat er een toename komt van arbeidsmigratie. Een deel van deze migranten zal zich blijvend vestigen in Nederland en een gezin meenemen of stichten in ons land. Door deze ontwikkeling neemt de beroepsbevolking, ondanks de vergrijzing en ontgroening, netto toe.

 

Ecologisch

De komende jaren zal de voorspelde klimaatverandering doorzetten. Om de effecten te verminderen, werkt Nederland aan de uitvoering van een ambitieus klimaatakkoord. De zogenoemde energietransitie neemt daarbij een belangrijke plaats in. Door de CO2-uitstoot in te perken, kan de opwarming van de aarde worden verminderd. Dit creëert honderdduizenden nieuwe banen, zo is de verwachting (PBL, 2018).
Ook wordt ingezet op de verduurzaming van de economie. Met name de circulaire economie, waarbij grondstoffen worden hergebruikt, is in opkomst. Hierdoor zal de consumptieve groei afvlakken en wellicht zelfs omslaan in een consumptieve daling. Dit zal juist banen gaan kosten.

Voor het onderwijs betekent dit dat leerlingen en studenten bewust moeten worden gemaakt van de klimaatproblemen en opgeleid dienen te worden in nieuwe beroepen op het gebied van verduurzaming.

Sociaal-cultureel

Het Sociaal en Cultureel Planbureau voorspelt de komende jaren een veeleisende en dynamische  maatschappij (SCP, 2017). De segregatie neemt toe. Dit betekent dat groepen gelijkgestemden vooral elkaar ontmoeten. Tussen de verschillende groepen neemt het contact juist af.

Daarbij vallen ook de verschillen op tussen kinderen met lager en hoger opgeleide ouders qua schoolprestaties (Inspectie van het Onderwijs, 2018). Ondanks decennia van het stimuleren van kansengelijkheid via het onderwijs, worden hierop onvoldoende resultaten geboekt. Hadden we het vroeger over the haves-have nots, nu spreken we steeds vaker over the cans – can nots.

Technologisch

Er zijn al vele artikelen geschreven over de impact van technologie die ons de komende jaren te wachten staat. Allereerst is daar natuurlijk de toenemende digitalisering. Er komen steeds nieuwe toepassingen bij en hele werkprocessen worden overgenomen door software. Ook onze communicatie voltrekt zich deels digitaal via Social Media en Apps. Verder is The Internet of Things  in opmars. Dit heeft al banen gekost, bijv. in bank- en verzekeringswezen.

Daarnaast is sprake van robotisering waarbij slimme robots het werk overnemen. Middels kunstmatige intelligentie kunnen deze robots steeds meer. Denk bijv. aan de fabricage van auto’s en  het verpakken van materialen. Ook worden algoritmen ingezet, veelal gebruik makend van datasets die zijn verzameld over grote groepen mensen zodat adequate vervolgacties eenvoudig door een bot vanuit bijvoorbeeld klantenservices worden bepaald. Technologie beconcurreert de mens niet langer alleen op spierkracht, maar ook op denkvermogen en creativiteit (Kirschner, 2017).

Dit biedt kansen op bijvoorbeeld adaptieve leermiddelen in het onderwijs, speciaal toegesneden op elke leerling apart zodat gepersonaliseerd leren mogelijk is. Hiervan wordt onder andere binnen het basisonderwijs al in sommige gevallen gebruik gemaakt. Een voorbeeld zijn rekenlessen waar leerlingen middels het gebruik van een iPad een gedifferentieerd aanbod krijgen welke wordt aangepast naar een oneindig aantal niveaus.

Tot slot creëert de inzet van technologie nieuwe banen, met name in de ICT en technologische innovatie.

Economisch

Door de vele ontwikkelingen in beroepen en sectoren wordt de arbeidsmarkt onvoorspelbaarder. Banen verdwijnen en ontstaan in rap tempo. De levensduur van bedrijven neemt af (nu gemiddeld nog 16 jaar, in de jaren 50 was dat nog 60 jaar). Dat betekent dat veel minder mensen 30 of 40 jaar bij dezelfde werkgever zullen werken. Eenvoudige arbeid wordt geautomatiseerd; het overige werk wordt complexer.

Door deze veranderingen zullen andere skills worden gevraagd: de zogenoemde 21e-eeuwse vaardigheden zijn in opmars met een aantal cruciale vaardigheden vereist om te kunnen meebewegen met de vraag op de arbeidsmarkt. Met name flexibiliteit, (digitale) geletterdheid en een goed leer- en adaptievermogen worden belangrijker.

Al enige tijd krijgen internationale technologiebedrijven meer invloed op de economie. Soms ook disruptief, dat wil zeggen dat er over 10 jaar grote spelers zullen zijn die nu nog niet bestaan. Daarbij neemt platformisering een vlucht. Dat betekent dat steeds meer diensten en producten worden aangeboden door bedrijven die zelf niet de productiemiddelen bezitten maar die van anderen (door)verkopen. Denk hierbij aan Uber, Airbnb etc.

Politiek-juridisch

Op politiek-juridisch vlak zijn een aantal ontwikkelingen zichtbaar rondom privacy en rondom beveiliging van data & systemen. Door internet en Social Media kan onze privacy in het geding komen, hetgeen leidt tot nieuwe privacyvraagstukken waarvoor oplossingen moeten worden bedacht. Dit vraagt om nieuwe wet- en regelgeving. Bij nieuwe diensten en producten is het daarom raadzaam om al direct in de ontwerpfase “Privacy by Design” mee te nemen.

Dat geldt ook voor de beveiliging van onze data en de vele (digitale) systemen waarvan we gebruik maken. Dit stelt ons voor de uitdaging hoe te voorkomen dat systemen worden gehackt waardoor ons maatschappelijk leven ontwricht kan raken.

Ook is merkbaar dat de overheid (Rijk, EU) vaker overgaat tot enerzijds stimulering van innovatie middels onder andere subsidieregelingen, tot anderzijds regulering middels extra procedures en maatregelen. Niet alleen in het bedrijfsleven maar ook in bijvoorbeeld zorg- en welzijn is dit zichtbaar.

Impact

Elk van deze trends heeft in meer of andere mate invloed op arbeidsmarkt en onderwijs. De vraag is welke de grootste impact gaat hebben. Vanuit enkele macro-economische cijfers kom ik tot een globale top 3, met name gebaseerd op het verwachtte effect (oplopend):

Nummer 3. Ecologisch

Ten gevolge van de energietransitie worden over 10 jaar tussen de 35.000 en 67.000 extra banen verwacht (dit betreft enerzijds een uitbreiding van circa 200.000 extra banen en anderzijds een voorspelde krimp van 140.000 banen doordat de consumptie afneemt (PBL, 2018).

Er is een mogelijke extra groei van de beroepsbevolking door de migratie van klimaatvluchtelingen naar ons land. Die trend is onvoorspelbaar en het effect is niet goed in te schatten.

Deze verandering is dus (voor zover het de arbeidsmarkt betreft) wel significant en heeft vooral een positief effect door de nieuwe banen die het creëert, vandaar de nummer 3 positie.

 

Nummer 2. Demografisch

Uit cijfers die zijn gepubliceerd door het CBS (2018) is de prognose dat de beroepsbevolking de komende 10 jaar met 745.000 mensen toeneemt. Twee derde deel van deze toename wordt verklaard door een toename aan immigratie.

Het aandeel 65-plussers stijgt van 18% (2015) naar 26% (2060). Het aandeel 80-plussers stijgt van 4% (2015) naar 11% (2060). (VN, 2017). Dit zou voor een krimp van de beroepsbevolking kunnen gaan zorgen, ware het niet dat de pensioenleeftijd inmiddels is gekoppeld aan deze demografische ontwikkeling. Bovendien zorgt de stijging van het aantal ouderen dat een groter beroep zal worden gedaan op verzorgend personeel, waardoor dan ook het aantal banen in de zorg zal toenemen. De kosten hiervoor zullen echter wel maatschappelijk op te brengen moeten blijven.

Deze demografische verandering raakt weliswaar veel mensen, maar heeft minder negatief effect als men soms denkt, vandaar de nummer 2 positie.

Nummer 1. Technologisch

De organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (Oeso) laat in onderzoek zien dat de komende 15 tot 20 jaar 14% van de werkgelegenheid gaat verdwijnen als gevolg van technologisering, digitalisering en automatisering. Als we kijken naar absolute aantallen houdt dit in dat er van de 10.591.000 arbeidsplaatsen die we momenteel (Q1 2019) in Nederland hebben, er 1.482.000 banen zullen verdwijnen. Daarnaast zal 32% van de banen ingrijpend veranderen.

Deze verandering raakt dus 1 op de 2 banen, heeft daarmee een groot effect; vandaar de nummer 1 positie.

Samenvattend

Verandering is van alle tijden. Als we de afgelopen eeuw bezien,  zijn er heel veranderingen opgetreden met groot effect op onderwijs en arbeidsmarkt. Toch staat Nederland er nu goed voor. De arbeidsparticipatie is groter dan ooit te voren. Daarom mogen we er best vertrouwen in hebben dat we flexibel genoeg zijn om de problemen die op ons af komen te tackelen en de kansen te benutten. Zaak is wel om de ontwikkelingen goed te monitoren en er tijdig beleid op te maken. Voor elk van ons persoonlijk is het zaak om te investeren in “leven lang ontwikkelen” en de eigen loopbaan.

Deze blog is een samenvatting van een presentatie door Inge Willems gehouden op de conferentie “Gelderland Arbeidswijs Draait Door!” op donderdag 6 juni 2019. Zij is momenteel regionaal manager van het Werkgeversservicepunt Noordoost-Brabant a.i.